In december vorig jaar vond in Londen From Gene to Clinic plaats, een congres dat gewijd was aan psoriasis. We hadden er een gesprek met drie Belgische specialisten en vroegen hen wat ze van dit congres geleerd hadden.
Dr. Ana de Medeiros (Europaziekenhuizen, Brussel) benadrukt dat de behandelingen voor psoriasis de voorbije jaren sterk geëvolueerd zijn. Ze wijst erop dat de nieuwe biologische behandelingen nu gericht zijn tegen de moleculaire oorzaak van de ziekte. Daardoor zien we resultaten waarbij de letsels van de patiënten bijna volledig of volledig opklaren. Het doel is om de levenskwaliteit van de patiënten significant te verbeteren en naar een absolute PASI van maximaal 2 te streven. Meerdere sprekers wezen er tijdens het congres op dat het van cruciaal belang is dat de patiënt snel op de behandeling reageert. Veel patiënten hebben immers al een lange zoektocht achter de rug voor ze een werkzame behandeling krijgen. Gelukkig tonen de studies aan dat als patiënten in de eerste maanden goed op de behandeling reageren, die respons vaak ook op lange termijn aanhoudt (1). Hoewel er tal van uitstekende behandelingen bestaan, is de uitdaging momenteel om voor elke patiënt de meest geschikte behandeling te kiezen. Dr. Ana de Medeiros benadrukt dat de kans op een PASI 100 het hoogst is met de moderne biologische geneesmiddelen, die ook veiliger zijn dan de oudere behandelingen (2). Ze beklemtoont het belang van een totaalaanpak waarbij rekening wordt gehouden met de levenskwaliteit van de patiënten en waarbij de verschillende behandelingsopties met hen worden besproken.
Rekening houden met comorbiditeit
Volgens Dr. Thomas Damsin (CHU Liège, ULiège) hebben artsen vandaag het geluk dat er meerdere werkzame geneesmiddelen voor psoriasis bestaan. De keuze gebeurt op basis van de aanwezige comorbiditeiten van de patiënt. Hij legt uit dat in het team waar hij werkzaam is de voorkeur wordt gegeven aan IL-17- en IL-23-remmers omdat die werkzaam en veilig zijn (3).
Het concept van de ‘drug survival’ is belangrijk, want dat houdt rekening met zowel de werkzaamheid als de veiligheid. Het afnemen van een medische anamnese bij een patiënt is van cruciaal belang, met inbegrip van het informeren naar diens familiale antecedenten van psoriasis.
Dr. Damsin gaat zelf ook na hoe familieleden gereageerd hebben op geneesmiddelen, want genetische factoren kunnen de respons op een geneesmiddel beïnvloeden (4). Hij vertelt dat er drie factoren (5) zijn die de respons op biologische geneesmiddelen negatief beïnvloeden: roken, het gewicht van de patiënt en een eerdere behandeling met biologische geneesmiddelen. Hij hoopt dat er in de toekomst biomarkers zullen kunnen gebruikt worden om patiënten een behandeling op maat te kunnen bieden, maar dat is op heden routinematig nog niet mogelijk. Volgens hem is psoriasis een systeemziekte, en kan een snelle en doeltreffende behandeling voorkomen dat de patiënt een psoriatische artritis ontwikkelt (6). De basis voor de therapeutische keuze berust op de anamnese en het klinisch onderzoek, bij gebrek aan routinematig beschikbare laboratoriumtests.
Vergeet niet te vaccineren
Tot slot beklemtoont ook prof. dr. Tom Hillary (UZ Leuven, KU Leuven) het verband tussen de genetische en de klinische kenmerken van psoriasis. Hij wijst erop dat psoriasispatiënten vaak comorbiditeiten hebben die hun risico op infecties verhogen, zoals obesitas of type 2-diabetes.
Volgens hem worden de vaccinaties van psoriasispatiënten beter bijgewerkt alvorens er een immuunsuppressivum opgestart wordt. Hij vermeldt ook dat het vaccinatieschema tegen pneumokokken onlangs gewijzigd is met de komst van de nieuwe vaccins (7).
Een moderne biotherapie vormt geen contra-indicatie voor een geïnactiveerd vaccin; zij kunnen dus zonder probleem toegediend worden tijdens de behandeling. De toediening van levende vaccins, zoals dat tegen gele koorts, dient echter met de patiënt besproken te worden voor de behandeling opgestart wordt. De patiënt mag immers pas 3 maanden na stopzetting van de behandeling gevaccineerd worden met dit levend verzwakt vaccin. Het is ook belangrijk om altijd met de infectioloog te overleggen of die wachttijd nog verlengd moet worden.
Een ander levend verzwakt vaccin, dat tegen mazelen, is wat moeilijker omdat in de standaardprocedure geen mazelen antilichamen worden bepaald . De patiënt wordt wel bevraagd over ofwel het doormaken van de ziekte of het reeds ontvangen hebben van het vaccin; dit specifiek voor patiënten geboren tussen 1970 en 1985. Prof. Dr. Tom Hillary geeft aan dat het in laatsgenoemde patiëntenpopulatie interessant kan zijn om de IgG-antistoffen tegen mazelen te bepalen.
Volgens hem is het ook belangrijk om de kosten van vaccinatie met de patiënt te bespreken voor de behandeling opgestart wordt.
Tot slot lijken de meeste biologische behandelingen volgens hem het risico op herpesinfecties niet of minimaal te verhogen, wat wel het geval lijkt met JAKi (waaronder TYK2-remmers). Als die laatste voorgeschreven worden, dient overwogen te worden om het vaccin tegen Herpes zoster met de patiënt te bespreken.
BELU-BK-2500125 11/2025







